Waarom je toch kunt vastlopen terwijl je denkt voldoende water onder de kiel te hebben ?

Je vaart op een mooie zomerse dag langs de Belgische of Franse kust. Volgens de zeekaart staat er bij LAT (Lowest Astronomical Tide) 1 meter water. Volgens jouw berekening bedraagt het getij 2 meter. Je boot heeft een diepgang van 2 meter.
Je bent ervan overtuigd dat je berekeningen correct zijn en dat je positie klopt. In theorie heb je dus 1 meter water onder je kiel. En toch loop je vast!
Hoe is dat mogelijk?
Er zijn verschillende factoren die ervoor kunnen zorgen dat de werkelijke waterdiepte kleiner is dan je verwacht.
-
Getijdentabellen zijn voorspellingen, geen exacte wetenschap. Afwijkingen in de voorspelde tijd en waterhoogte komen regelmatig voor. Een verschil van 0,5 meter is zeker niet ondenkbaar.
-
Wanneer werd de bodem voor het laatst gepeild? Kijk eens op de zeekaart. Sommige gebieden in de Noordzee werden tientallen jaren geleden voor het laatst gepeild. Op de betere zeekaarten staat aangegeven wanneer de peilingen werden uitgevoerd.
-
Welke meetapparatuur werd destijds gebruikt? De technieken en instrumenten waarmee de waterdieptes tientallen jaren geleden werden gemeten, waren niet dezelfde als vandaag. Dat kan een invloed hebben op de nauwkeurigheid van de beschikbare gegevens.
-
Wat is de windrichting? Wind kan water opstuwen of wegduwen, waardoor de werkelijke waterstand hoger of lager uitvalt dan voorspeld. Vooral bij aanlandige of aflandige wind kan dit een belangrijke rol spelen.
-
Wat is de luchtdruk? De getijvoorspellingen houden niet automatisch rekening met de actuele luchtdruk. Volgens het inverse barometereffect komt een stijging van de luchtdruk met 1 hPa theoretisch overeen met een daling van de zeespiegel met ongeveer 1 cm. Bij een luchtdruk van 1040 hPa, tegenover een referentiedruk van 1013 hPa, kan de waterstand door dit effect ongeveer 27 cm lager liggen dan verwacht. Houd daar rekening mee wanneer je weinig water onder de kiel hebt.
Moraal van het verhaal
-
Lees de opmerkingen op je zeekaart en in je pilotboek. Daarin kunnen waarschuwingen staan over de verplaatsing van zandbanken en andere veranderingen in de bodem. Dergelijke informatie is niet altijd terug te vinden op de elektronische kaartplotter.
-
Houd een extra veiligheidsmarge aan. Ga er niet zomaar van uit dat de aangegeven dieptes overal betrouwbaar of actueel zijn, zeker niet buiten de betonde vaarwegen.
-
Houd rekening met de luchtdruk. In een hogedrukgebied kan de waterstand aanzienlijk lager zijn dan voorspeld. Bij een drukverschil van 27 hPa bedraagt het theoretische verschil al ongeveer 27 cm.
-
Let op de windrichting ten opzichte van het getij. Wind die het afgaande water versterkt, kan de waterstand verder doen dalen. De werkelijke invloed hangt af van de lokale omstandigheden.
-
Wees extra voorzichtig bij afgaand water. Wanneer je vastloopt, kan het water immers verder zakken voordat het volgende hoogwater wordt bereikt.
-
Bestudeer de kaartsymbolen en leer ze correct te interpreteren. Op de bodem kunnen bekende, maar ook onbekende hindernissen liggen die de beschikbare waterdiepte plaatselijk sterk verminderen, zoals rotsen, wrakken en afbraakmateriaal.
-
Vertrouw niet blindelings op de positie van wrakken. Stormen en stromingen kunnen ervoor zorgen dat wrakken zich verplaatsen. De positie op de kaart komt dus niet altijd overeen met de werkelijke positie.
-
Luister naar de scheepvaartberichten. Op de Westerschelde worden deze onder meer uitgezonden op VHF-kanaal 14 (Vlissingen) en kanaal 12 (Zandvliet). Daarin kan informatie worden gegeven over afwijkingen van de voorspelde waterstand. Controleer steeds de actuele uitzendtijden en kanalen.
Nog enkele belangrijke opmerkingen
-
Niet alle zeekaarten gebruiken LAT als referentievlak. Controleer daarom altijd welk referentievlak op jouw kaart wordt gebruikt.
-
LAT betekent niet dat het water nooit lager kan staan! LAT is het laagste astronomisch voorspelde getij onder de vastgelegde referentieomstandigheden. Meteorologische omstandigheden, zoals langdurige wind en hoge luchtdruk, kunnen ervoor zorgen dat de werkelijke waterstand onder LAT zakt.
-
Ondiep water beïnvloedt ook de manoeuvreerbaarheid van je schip. De weerstand neemt toe en het gedrag van het schip kan veranderen. Dit is vooral belangrijk bij grotere snelheden en voor planerende motorjachten.
-
Hanteer voldoende kielspeling. Als praktische veiligheidsregel ga ik voor een zeilboot met een diepgang van 2 meter bij voorkeur uit van minstens 4 meter waterdiepte. Ook voor een planerend motorjacht met een diepgang van 1 meter kan ik, afhankelijk van de omstandigheden, minstens 4 meter waterdiepte als richtwaarde hanteren. Dit zijn persoonlijke veiligheidsmarges, geen universele normen.
Maak altijd een passageplan
Maak vooraf een passageplan en bepaal welke route je zult volgen. Controleer of de verwachte waterdieptes gedurende de volledige passage voldoende zijn, rekening houdend met:
-
de diepgang van je schip;
-
de voorspelde waterstand en het tijdstip van hoog- en laagwater;
-
de actuele luchtdruk en windrichting;
-
de betrouwbaarheid en ouderdom van de dieptegegevens;
-
een voldoende ruime veiligheidsmarge.
Op de meeste kaartplotters, ook op een iPad, kun je verschillende dieptes met kleuren weergeven. Zo zie je sneller wanneer je in ondiep water terechtkomt. Stel indien mogelijk ook een dieptealarm in.
Vertrouw nooit uitsluitend op je berekeningen of je elektronische kaartplotter. De werkelijke waterdiepte kan afwijken van wat je verwacht. Een ruime veiligheidsmarge en een goed passageplan kunnen het verschil maken tussen een geslaagde passage en een vastgelopen schip.
Leren uit fouten en ongevallen
Commentaar of vragen hierover mail ons op nautinstruct@gmail.com
Ben je tevreden over dit artikel ?
Laat het weten op Google in een review, klik hier




